‘Een schoolgebouw moet kinderen helpen zich te ontwikkelen’

maandag 26 oktober | Actueel

Wie Bart van Kampen hoort praten over scholen, merkt al snel dat onderwijsarchitectuur voor hem veel meer is dan het tekenen van lokalen, gangen en een aula. De architect en partner van De Zwarte Hond in Rotterdam kijkt vooral naar wat er ín zo’n gebouw moet gebeuren. Hoe leert een kind? Hoe zorg je ervoor dat leerlingen zich thuis voelen? Wat betekent persoonlijk onderwijs voor de plattegrond? En vooral: hoe voorkom je dat een gebouw dat vandaag peWie Bart van Kampen hoort praten over scholen, merkt al snel dat onderwijsarchitectuur voor hem veel meer is dan het tekenen van lokalen, gangen en een aula. De architect en partner van De Zwarte Hond in Rotterdam kijkt vooral naar wat er ín zo’n gebouw moet gebeuren. Hoe leert een kind? Hoe zorg je ervoor dat leerlingen zich thuis voelen? Wat betekent persoonlijk onderwijs voor de plattegrond? En vooral: hoe voorkom je dat een gebouw dat vandaag perfect aansluit bij een onderwijsvisie over twintig jaar alweer achterhaald is?rfect aansluit bij een onderwijsvisie over twintig jaar alweer achterhaald is?

Van Kampen houdt zich al jaren bezig met onderwijsgebouwen. De Zwarte Hond werkte onder meer aan scholen met unitonderwijs in Hellevoetsluis, een Agora-school in Utrecht, een praktijkschool in Gorinchem en basisschool De Brug. Daarnaast was Van Kampen betrokken bij Schoolvoorbeeld, een onderzoek voor de gemeente Groningen naar de toekomst van onderwijsgebouwen. Steeds draait het daarbij om dezelfde vraag: hoe kan architectuur eraan bijdragen dat kinderen zich zo goed mogelijk ontwikkelen?

Waar komt jouw belangstelling voor onderwijsarchitectuur vandaan?
“Dat is eigenlijk geleidelijk ontstaan. Ik heb in Delft les gehad van Herman Hertzberger en dat vond ik heel interessant omdat er bij hem een heel sterke sociale component in architectuur zat. Zijn eerste ontwerp was ook een Montessorischool in Delft en nadenken over de schaal en de belevingswereld van het kind heeft me altijd aangesproken. Daarnaast zat onderwijs ook een beetje in mijn achtergrond. Mijn moeder werkte in het onderwijs en mijn vader was erg maatschappelijk en politiek betrokken. Die sociale kant heeft er dus altijd ingezeten.”

Wat is voor jou de kern wanneer je aan een nieuwe school begint?
“Luisteren. Iedere school heeft een eigen onderwijsvisie en die probeer je te vertalen naar een ruimtelijk ontwerp. De ene school wil klassikaal onderwijs geven, een andere school werkt met units en weer een andere school wil dat kinderen vrijwel zelfstandig door het gebouw bewegen. Dat betekent dus ook dat je niet vooraf kunt zeggen: zó ziet een school eruit. Daar zit voor mij de uitdaging. Je moet eigenlijk proberen in de belevingswereld van de gebruiker te komen. Bij een school is dat natuurlijk in de eerste plaats het kind. Hoe ervaart een kind een ruimte? Waar voelt het zich prettig? Waar kan het zich concentreren? Maar ook: waar ontmoet je andere kinderen?”

Is het onderwijs daarin sterk veranderd?
“Heel sterk. Vroeger had je een leraar voor de klas en twintig of dertig kinderen die allemaal ongeveer hetzelfde aangeboden kregen. De laatste twintig jaar zie je daar steeds meer beweging in komen; onderwijs wordt persoonlijker. Sommige kinderen kunnen bepaalde dingen heel snel en andere kinderen hebben juist extra uitleg nodig. Daar hoort dus ook een ander gebouw bij. Je hebt niet alleen twintig dezelfde lokalen nodig met een gang ertussen.”

Hoe zie je dat terug in projecten van De Zwarte Hond?
“In Hellevoetsluis ontwierpen we bijvoorbeeld een school – De Samenstroom – die met unitonderwijs werkt. Daar zitten ongeveer 75 kinderen in één grotere leeromgeving. Je hebt dan drie groepen bij elkaar en verschillende leerkrachten die ieder hun eigen expertise hebben. De ene is bijvoorbeeld sterker in rekenen, de andere in taal of sociale vaardigheden. Kinderen bewegen veel meer tussen die docenten. Zo’n leraar wordt dan eigenlijk meer een coach en kinderen gaan naar degene die ze op dat moment nodig hebben.”

Maar 75 kinderen in één ruimte klinkt ook behoorlijk rumoerig.
“Dat is precies waarom de architectuur belangrijk wordt. Als je gewoon drie klaslokalen bij elkaar trekt en verder niets doet, krijg je één groot kabaal en daarom hebben we veel aandacht besteed aan akoestiek. Je maakt verschillende plekken en hoeken waar het geluidsniveau lager is en zorgt dat geluid wordt geabsorbeerd. Zo kunnen verschillende activiteiten tegelijkertijd plaatsvinden zonder dat iedereen elkaar voortdurend stoort. Dat vind ik interessant aan onderwijsarchitectuur: een onderwijsvisie klinkt vaak theoretisch heel logisch, maar vervolgens moet het gebouw ervoor zorgen dat het in de dagelijkse praktijk ook echt kan functioneren.”

Jullie werken in Utrecht aan een nog verdergaand onderwijsconcept.
“Ja, daar bouwen we een school met Agora-onderwijs. Agora betekent oorspronkelijk ‘plein’ dus het idee is dat je eigenlijk geen traditionele klaslokalen meer hebt, maar een soort groot dorpsplein waar leerlingen werken. Daaromheen zitten kleinere ruimtes voor instructies. Een leerling begint bijvoorbeeld in een kleine stamgroep waar het erover gaat wat ze die dag gaan doen en daarna waaieren de leerlingen uit over de school. Ze bepalen veel meer zelf waar ze werken en de docent beweegt ertussen als coach. Dat vraagt dus weer om een totaal ander gebouw dan de klassieke school met lokalen aan weerszijden van een gang.”

Tegelijkertijd weet je niet welke visie over twintig jaar les dominant is. Is dat geen probleem?
“Dat is misschien wel een van de grootste dilemma’s. Je maakt een gebouw heel specifiek voor een onderwijsvisie die er op dit moment is, maar een directeur kan vertrekken en er kan een nieuwe directeur komen met totaal andere ideeën. De samenstelling van een wijk kan veranderen en misschien ontdekken we over twintig jaar wel dat bepaalde onderwijsconcepten helemaal niet werken. Daarom moeten schoolgebouwen adaptief zijn.”

Hoe doe je dat?
“Bij basisscholen proberen we bijvoorbeeld steeds minder met dragende binnenwanden te werken. Vroeger waren de wanden tussen twee lokalen vaak onderdeel van de constructie en als je ze later wilde verwijderen, had je een probleem. Wij werken liever met een kolommenstructuur en daardoor kun je later relatief eenvoudig van traditionele lokalen naar unitonderwijs gaan, of juist andersom. Je geeft een gebouw eigenlijk de mogelijkheid om mee te veranderen.”

Dat principe speelde ook een belangrijke rol bij Schoolvoorbeeld in Groningen. Wat was dat voor project?
“Daar hebben we de gemeente geholpen na te denken over de toekomst van schoolgebouwen in de stad en we kwamen tot 35 aanbevelingen. Eén daarvan was precies dit punt: als je een school ontwerpt, vraag de architect dan niet alleen om die ene school te tekenen, mar ook de vraag te beantwoorden: wat gebeurt er als we hier later een heel ander onderwijsconcept willen? Maar je kunt nog verder gaan. Kunnen er woningen komen of een zorggebouw? Zeker in nieuwbouwwijken is dat interessant.”

Waarom juist daar?
“Omdat je in nieuwe wijken bijna altijd dezelfde golf ziet. Eerst komen er jonge mensen wonen vervolgens worden er kinderen geboren en heb je enorm veel kinderopvang nodig. Een paar jaar later heb je ineens heel veel behoefte aan basisschoolplaatsen en twintig of dertig jaar later zijn die kinderen weg en wordt de behoefte aan scholen kleiner. De ouders worden ondertussen ouder en misschien ontstaat er juist behoefte aan zorgvoorzieningen. Dan zou het prachtig zijn als zo’n gebouw mee kan veranderen.”

Jullie hebben daarvoor ook een eigen model ontwikkeld.
“Dat noemen we het CHIPI-model. Je verdeelt een gebouw als het ware in verschillende lagen: constructie, huid, installaties, programma en interieur. Die onderdelen hebben allemaal een andere levensduur. Een constructie moet misschien tweehonderd jaar kunnen meegaan, terwijl een interieur na tien of vijftien jaar alweer verandert dus dan moet je voorkomen dat alles zo met elkaar verweven zit dat je bij iedere verandering het halve gebouw moet slopen. Installaties moet je bijvoorbeeld kunnen vervangen zonder een complete vloer open te breken. De plattegrond moet kunnen veranderen terwijl de constructie blijft staan. Op die manier wordt een gebouw veel duurzamer.”

Duurzaamheid gaat voor jou dus niet alleen over energiegebruik?
“Nee, absoluut niet. Een gebouw dat tweehonderd jaar blijft staan is uiteindelijk veel duurzamer dan een gebouw dat na dertig jaar wordt gesloopt. Daar hoort nog iets bij wat vaak wordt onderschat: schoonheid, want dat is in mijn ogen een vorm van duurzaamheid.”

Juist bij scholen vind je dat belangrijk?
“Heel belangrijk. Een school is onderdeel van je identiteit. Daar krijg je je eerste vrienden, word je misschien voor het eerst verliefd, leer je rekenen, sporten en samenwerken. Ook ouders leren elkaar daar kennen dus een schoolgebouw wordt onderdeel van het collectieve geheugen van een buurt. Daarom vind ik ook dat een school herkenbaar mag zijn, een school mag bijzonder zijn.”

Toch zijn budgetten in het onderwijs vaak beperkt.
“Dat is een probleem. Bij scholen wordt heel snel gesproken over sober en doelmatig. Met doelmatig heb ik geen enkele moeite, maar met dat woord ‘sober’ wel. Waarom moet een school sober zijn? We mogen toch vieren dat het onderwijs belangrijk is?”

Hoe ging dat bij basisschool De Brug?
“Ja, dat was een mooi proces. Het was een relatief kleine basisschool en aanvankelijk waren de ambities helemaal niet extreem. We hadden bijvoorbeeld bedacht om alles op de begane grond te maken. Daardoor zijn er geen liften en trappen nodig en kun je dat geld ergens anders aan besteden. Toen ontstond het idee: als we toch alles op één verdieping doen, waarom maken we de school dan niet helemaal van hout? Bij houten schoolgebouwen zijn verdiepingsvloeren vanwege geluid vaak ingewikkeld, maar die hadden we hier helemaal niet nodig. Gaandeweg werd iedereen steeds enthousiaster. De ambtenaren, de wethouder, de politiek. Uiteindelijk won het gebouw ook een prijs als beste schoolgebouw van het jaar. Dat was extra leuk omdat zo’n prijs vaak naar grotere middelbare scholen of universiteiten gaat en nu naar een relatief kleine basisschool.”

Ook in Gorinchem werkten jullie aan een bijzonder onderwijsproject.
“Daar hebben we een praktijkschool gemaakt die juist verbinding zoekt met andere onderwijsniveaus. Havoleerlingen kunnen bijvoorbeeld praktijklessen volgen bij die school. Dat vind ik een interessante ontwikkeling. Ons onderwijssysteem stopt kinderen heel snel in één hokje. Stel dat je voor vijf vakken havoniveau hebt, maar voor wiskunde vmbo-niveau. Dan bepaalt dat ene vak vaak welk onderwijsniveau je uiteindelijk volgt. Je zou veel meer toe willen naar een systeem waarin leerlingen per vak op hun eigen niveau kunnen leren. Dan krijg je dus automatisch ook scholen waarin verschillende groepen en niveaus meer door elkaar heen bewegen.”

Daarmee krijgt een schoolgebouw bijna een maatschappelijke opdracht.
“Dat vind ik wel. Bij Schoolvoorbeeld in Groningen hebben we bijvoorbeeld ook onderzocht waar verschillende soorten scholen in de stad staan. Vmbo-scholen stonden relatief vaak aan de rand en gymnasia en vwo-scholen juist op aantrekkelijkere locaties richting het centrum. De plek waar je een school neerzet, zegt ook iets. Als je wil voorkomen dat groepen steeds verder van elkaar af komen te staan, moet je verschillende onderwijsvormen juist mengen en goed over een stad verspreiden.”

Dus uiteindelijk gaat onderwijsarchitectuur voor jou vooral over kansen?
“Ja, ik vind dat je als architect medeverantwoordelijk bent voor de vraag of een gebouw goed werkt voor de mensen die het gebruiken. Wij bouwen voor mensen dus je wil dat mensen er gelukkiger zijn, beter functioneren en zich beter kunnen ontwikkelen. Bij een school betekent dat heel concreet dat je een omgeving probeert te maken waarin kinderen hun potentie zo goed mogelijk kunnen benutten. Dat is voor mij uiteindelijk waar onderwijsarchitectuur over gaat.”

Archieven

Partners

Toon alle partners