Vier op de tien architectenbureaus beoordelen de marktsituatie als goed en de helft als redelijk. Daarmee blijft het beeld stabiel en gematigd positief ten opzichte van het voorjaar. Dat blijkt uit de BNA Conjunctuurmeting najaar 2025, uitgevoerd door Panteia in opdracht van de Koninklijke Bond van Nederlandse Architectenbureaus. Op papier lijkt de sector er dus solide voor te staan. Tegelijkertijd klinkt achter die cijfers een ander verhaal: een verhaal van grote maatschappelijke opgaven, stroperige processen, personeelstekorten en een sector die zoekt naar nieuwe vormen van samenwerking en vertrouwen.
De woningnood is hoog, de verduurzamingsopgave urgent en de ruimtelijke claims stapelen zich op. Architecten bevinden zich midden in dat krachtenveld.Wat zegt de conjunctuurmeting nu echt over de staat van het vak? En wat is er nodig om de bouwproductie structureel te versnellen? We spreken BNA-voorzitter Jeroen de Willigen over schaal, samenwerking, vertrouwen en de rol van de architect in een systeem dat piept en kraakt.
De uitkomsten van de conjunctuurmeting zijn stabiel en voorzichtig positief. Herken jij dat beeld?
‘‘Ja, dat herken ik wel. Over het algemeen gaat het architectenbureaus redelijk tot goed. Er is veel werk en de vraag is onverminderd groot. Dat geeft een zekere basis en ook vertrouwen.Tegelijkertijd is het geen uitbundig optimisme. De opgaven zijn groot, maar de omstandigheden waarin we moeten werken zijn complexer geworden. Dat zorgt voor een gematigde toon.’’
Waar zit die terughoudendheid dan vooral in?
‘‘Die zit niet zozeer in de hoeveelheid werk, maar in de uitvoerbaarheid ervan. Projecten komen moeizaam van de grond. Procedures duren lang, vergunningstrajecten lopen vast en capaciteit ontbreekt op cruciale plekken. Dat maakt dat de energie die we in projecten stoppen niet altijd leidt tot tempo of voortgang. Dat voelt wrang, juist omdat de urgentie zo hoog is.’’

Je noemt capaciteit. Is dat een probleem dat vooral bij de overheid ligt?
‘‘Nee, het is breder dan dat. Natuurlijk zien we bij overheden een tekort aan mensen die plannen beoordelen, begeleiden en toetsen. Maar hetzelfde geldt voor de bouwsector zelf, voor opdrachtgevers én soms ook voor architectenbureaus. De hele keten staat onder druk. Iedereen is maximaal bezet. Dat betekent dat we anders moeten gaan werken, slimmer en efficiënter, omdat simpelweg opschalen met mensen geen realistische oplossing meer is.’’
Wat bedoel je precies met slimmer werken?
‘‘Slimmer werken betekent niet alleen digitaliseren of processen versnellen, maar vooral beter samenwerken.We zijn in Nederland heel goed geworden in het organiseren van deelbelangen. Iedereen bewaakt zijn eigen stukje, zijn eigen verantwoordelijkheid, zijn eigen vinkjes. Daardoor verliezen we de integrale afweging uit het oog. De vraag of je hier iets kunt inleveren om daar iets te winnen, wordt te weinig gesteld.’’
Is dat ook een kwestie van vertrouwen?
‘‘Zeker. Het vertrouwen tussen partijen heeft een deuk opgelopen na de financiële crisis van 2008 en is eigenlijk nooit volledig hersteld. Sindsdien is iedereen voorzichtiger geworden, risicomijdender. Dat zie je terug in contracten, in procedures en in samenwerkingen. Iedereen wil zich indekken. Begrijpelijk, maar het werkt verlammend want je kan geen wedstrijd winnen met elf Ronaldo’s.’’
Je moet samenwerken…
‘‘Het bouwproces bestaat uit allemaal sterke spelers: opdrachtgevers, aannemers, architecten, overheden. Maar als iedereen alleen voor zichzelf speelt, win je geen wedstrijd. Dan mis je samenhang, afstemming en ritme. Samen spelen betekent ook dat je elkaar iets gunt en soms een stap terugdoet voor het grotere geheel.’’
Welke rol zie jij daarin voor de architect?
‘‘Architecten hebben een unieke positie.Wij zitten relatief vrij in het proces, met minder directe financiële belangen dan andere partijen. Daardoor kunnen we inhoudelijk sturen, verbinden en uitleggen.We kunnen belangen zichtbaar maken en tegen elkaar afwegen. Dat is misschien wel een van de belangrijkste kwaliteiten van het vak, zeker in deze tijd.’’
Toch hoor je vaak dat de overheid zelf de grootste rem is. Hoe kijk jij daarnaar?
‘‘Dat is inderdaad een belangrijke factor. Na de financiële crisis zijn we projecten steeds kleiner gaan maken. Dat leek logisch: minder risico, meer overzicht, maar het gevolg is dat we gebieden zijn gaan opdelen in tientallen kleine projecten. Nu hebben we haast en weinig mensen, maar durven we niet meer op te schalen.Terwijl het proces voor een klein project vaak net zo zwaar is als voor een groot.’’
Je pleit dus voor grotere projecten en meer schaal?
‘‘Ja, absoluut. Of je nu dertig of drieduizend woningen bouwt, de procedures zijn grotendeels hetzelfde. Dan is het inefficiënt om alles klein te houden. Door groter te denken, kun je met minder partijen meer realiseren. Dat scheelt overleg, afstemming en tijd.’’
Kun je een concreet voorbeeld geven waar die manier van samenwerken al werkt?
‘‘Ja, een goed voorbeeld is de manier waarop woningcorporatie Ymere samenwerkt met vaste bouw- en ontwerpteams in gebiedsontwikkelingen. Daar worden meerjarige afspraken gemaakt met aannemers, architecten en soms ook beleggers. Niet per project opnieuw onderhandelen, maar werken vanuit continuïteit. Dat zorgt voor rust in het proces en maakt het mogelijk om sneller te schakelen. Iedereen kent elkaars rol, belangen en werkwijze. Je ziet dat projecten daardoor daadwerkelijk van de grond komen, ondanks de complexiteit en druk op de sector.’’
Er wordt vaak gezegd dat grote projecten onmenselijk worden. Hoe zie jij dat?
‘‘Dat is een misvatting. Kijk naar de wijken die begin vorige eeuw zijn gebouwd, bijvoorbeeld in Amsterdam Plan Berlage, waar ze aan het begin van de vorige eeuw best grote projecten hebben gemaakt. Dat zijn grootschalige projecten, ontworpen door één architect of één bureau en ze zijn nog steeds geliefd. Ze zijn menselijk, leefbaar en waardevol. Groot hoeft niet kil te zijn, zolang er visie en samenhang is.’’
Hebben architectenbureaus die schaal vandaag de dag nog in huis?
‘‘Ja, daar ben ik van overtuigd. Nederland heeft veel sterke bureaus, groot en klein. Bovendien zijn architecten flexibel. Als de opgave daarom vraagt, organiseren we ons anders.We werken samen in combinaties, delen kennis en capaciteit. Het vermogen is er.Wat ontbreekt, is vaak de ruimte en de continuïteit om het goed te doen.’’
Continuïteit lijkt een sleutelbegrip in jouw verhaal. Waarom is dat zo belangrijk?
‘‘Omdat langdurige samenwerking leidt tot vertrouwen en lerend vermogen. Als je weet dat je tien jaar met elkaar verder moet, ga je anders met elkaar om. Dan durf je opener te zijn, eerlijker over kosten en belangen. Dat versnelt het proces uiteindelijk enorm.’’
Zie je dat ook terug in de praktijk?
‘‘Ja, er zijn goede voorbeelden waar langjarige afspraken tussen aannemers, corporaties en beleggers leiden tot voorspelbaarheid en snelheid. Daar zie je dat projecten daadwerkelijk gerealiseerd worden. Dat soort samenwerking zouden we vaker moeten toepassen.’’
Wat betekent dit alles voor de toekomst van architectenbureaus?
‘‘Ik ben ondanks alles optimistisch. Architecten zijn hard nodig, misschien wel harder dan ooit. Niet alleen als ontwerpers, maar als verbinders en regisseurs in een complex speelveld. Als we erin slagen om groter te denken, langer samen te werken en het ver- trouwen te herstellen, dan kunnen we echt verschil maken. De cijfers uit de conjunctuurmeting laten zien dat de basis er is. Nu is het zaak om die potentie ook daadwerkelijk te verzilveren.’’

