KAAP: wonen op de grens van stad en IJ

maandag 14 september | Projecten

Wie vanaf het IJ naar Amsterdam-Noord kijkt, ziet een stadsdeel dat nog altijd in beweging is. De industriële geschiedenis is er overal voelbaar, maar tussen loodsen, havenstructuren en voormalige bedrijventerreinen ontstaat een nieuwe stad. Precies op die overgang ligt KAAP. Op de plek waar de Grasweg het IJ bereikt, staat een ensemble van vijf woongebouwen. Robuuste materialen, grote raampartijen, riante balkons en een sterke relatie met het water geven het project zijn karakter. Tegelijkertijd is KAAP nadrukkelijk geen verzameling losse architectonische statements. De vijf gebouwen vormen samen één compositie.

TEKST Bas Hakker
FOTOGRAFIE Sebastian van Damme, Emile Hoens en Jeroen Musch

KAAP maakt deel uit van Cityplot Buiksloterham, het stedenbouwkundige plan van Studioninedots en DELVA Landscape Architecture | Urbanism voor de transformatie van dit voormalige industriegebied. In opdracht van AMVEST en COD ontwierpen Powerhouse Company, Orange Architects en NEXT architects hier vijf woongebouwen met in totaal zeventig appartementen, commerciële ruimtes op de begane grond en een circulair horecapaviljoen. Rondom de gebouwen ontstaat het publieke Oeverpark langs het IJ.

Dat verschillende architecten aan één ensemble werkten, was vanaf het begin een essentieel onderdeel van de opgave. Patrick Meijers van Orange Architects herinnert zich nog goed hoe zijn bureau voor het project werd uitgenodigd. Orange had op dat moment vooral internationaal naam gemaakt, het bureau was ontstaan uit de samenwerking tussen Michiel Hofman, Jeroen Schipper en Meijers en kreeg door buitenlandse projecten en architectuurprijzen steeds meer bekendheid. KAAP bood de mogelijkheid om die ervaring voor het eerst nadrukkelijk in Nederland te laten zien. Tijdens de presentatie draaide Meijers de gebruikelijke verhouding tussen architect en opdrachtgever daarom voor de grap om. Niet Orange kreeg een kans, vertelde hij de ontwikkelaars, maar zij kregen de kans om het eerste Nederlandse project van Orange te realiseren.

Verschillende handschriften

Uiteindelijk kregen Orange Architects, Powerhouse Company en NEXT architects ieder een positie binnen het ensemble. Daarbij was het nadrukkelijk niet de bedoeling om vijf identieke gebouwen te ontwerpen. De samenhang moest juist voortkomen uit verschillen. ‘We hebben de ontwerpen afzonderlijk van elkaar gemaakt en daarna gekeken hoe we de ontwerpen in een mooie compositie konden samenbrengen,’ zegt Paul Stavert van Powerhouse Company. Coast en Verde, de twee gebouwen van Powerhouse Company, staan aan de uiteinden van de compositie en functioneren volgens hem als ‘een donkere omlijsting met veel glas’. Daartussen bevinden zich de twee expressieve ontwerpen van Orange en het gebouw van NEXT. Pas daarna werden kleuren en materialen zorgvuldig naast elkaar gelegd om van de afzonderlijke ontwerpen één geheel te maken.

Ook Meijers benadrukt dat de architectuur niet letterlijk op elkaar is afgestemd. De architecten bekeken gezamenlijk onder meer materialisering, privacy en de manier waarop de gebouwen naast elkaar functioneren, maar ieder bureau mocht zijn eigen identiteit behouden. Juist die variatie was gewenst.

De stedenbouwkundige opzet helpt daarbij. De gebouwen staan niet als een gesloten wand langs het IJ, maar zijn ten opzichte van elkaar en van de Grasweg gedraaid. Daardoor ontstaat een coulissenwerking en blijven er vanaf de achterliggende straten doorzichten richting het water bestaan. Tussen de gebouwen komt bovendien een openbaar fietspad richting het Oeverpark. Het idee is uiteindelijk dat de woongebouwen als stedelijke villa’s in een publiek park komen te staan.

Twee gezichten naar de stad en het water

Bij Coast en Verde gebruikte Powerhouse Company de ligging om de gebouwen letterlijk twee gezichten te geven. Aan de Grasweg zijn de gevels relatief gesloten. Een diep gevelgrid zorgt er voor privacy en beperkt de inkijk vanaf de straat. Richting het IJ opent de architectuur zich juist. Daar bevinden zich flinke raampartijen en grote balkons.

Dat heeft niet alleen met het uitzicht te maken. Het IJ ligt pal ten westen van het project, waardoor uitzicht en bezonning vrijwel samenvallen. Stavert: ‘De beleving in de appartementen van het water en het uitzicht is echt onovertroffen.’ Juist de overgang tussen binnen en buiten, met de grote balkons als verlengstuk van de woningen, beschouwt hij als een van de sterkste onderdelen van het ontwerp.

Het contrast tussen straat en water wordt versterkt door de materialisering. De grove zwarte metalen gevel verwijst naar het industriële verleden van Buiksloterham. Rond de entrees is geoxideerd koper toegepast. Zo ontstaat een gebouw dat aan de straatzijde formeel en robuust oogt en zich aan het water juist losser en expressiever gedraagt. Die zoektocht naar een hedendaagse vertaling van industriële architectuur is ook bij Orange Architects nadrukkelijk aanwezig. Meijers wilde met Horn en York juist voorkomen dat luxe wonen automatisch zou leiden tot gladde, gepolijste architectuur. Vanaf het begin was duidelijk dat de appartementen in het hogere segment zouden vallen. ‘Normaal zou je zeggen: maak het heel chic, met hele dure materialen,’ vertelt hij. Orange koos bewust een andere richting: rauw, robuust en industrieel.

De logica van een fabriek

Daarbij keek Orange niet naar één specifieke oude fabriek die vervolgens werd nagebouwd. Het bureau onderzocht vooral de logica van industriële gebouwen. Een fabriek ontstaat volgens Meijers vaak pragmatisch. Eerst wordt gebouwd wat op dat moment nodig is. Verandert de productie of ontstaat behoefte aan extra ruimte, dan wordt er later iets tegenaan of bovenop gezet. Daardoor kunnen binnen één complex verschillende architectonische identiteiten naast elkaar bestaan.

Dat principe vertaalde Orange naar Horn en York. De gebouwen lijken niet uit één gebaar te zijn ontworpen, maar uit verschillende delen te bestaan die in de loop van de tijd op elkaar hadden kunnen worden gezet. De onderste lagen zijn rigide en horizontaal opgebouwd; de bovenste delen krijgen juist een verticaler en sculpturaler karakter.

Het materiaalcontrast maakt dat verschil nog sterker. De basis bestaat uit zeer licht, bijna wit beton. Daarboven bevindt zich een donkerder, ruwer volume. Juist de botsing tussen die twee werelden geeft de gebouwen hun identiteit. Het industriële karakter zit volgens Meijers dan ook niet in een letterlijke historische verwijzing, maar in contrast, pragmatiek en materiaalgebruik. Dat oorspronkelijke idee bleef tijdens het lange ontwikkelproces opvallend goed overeind. Meijers laat tijdens het gesprek een conceptschets uit 2016 zien waarin de horizontale onderbouw en de verticale bovenbouw al duidelijk herkenbaar zijn. In het gerealiseerde gebouw is die eerste gedachte nog steeds afleesbaar. Volgens hem komt dat mede doordat de opdrachtgever vanaf het begin geloofde in het concept.

Techniek als onderdeel van architectuur

Een uitgesproken materiaalconcept vraagt ondertussen om technische vasthoudendheid. Dat bleek bijvoorbeeld bij de overgang tussen de verschillende gevelmaterialen. Regenwater en harde wind vanaf het IJ mochten geen vervuiling of roestsporen veroorzaken op het lichte beton. Orange ontwikkelde daarom een specifiek detail om water diep in de constructie op te vangen en te voorkomen dat het door de wind over de onderliggende gevel zou worden geblazen.

Niet iedereen was aanvankelijk overtuigd dat de oplossing zou functioneren. Er werd daarom een mock-up gemaakt om het detail te testen. Uiteindelijk werd het uitgevoerd zoals Orange het had ontworpen. Volgens Meijers zijn er ook na langere tijd geen roestsporen zichtbaar op de lichte gevel. Het is voor hem een voorbeeld van hoe een architectonisch concept alleen overeind blijft wanneer ook op het niveau van technische details consequent wordt doorgewerkt.

Ook op andere plekken worden industriële elementen functioneel ingezet. Grote verschuifbare schermen bij woningen aan het maaiveld geven bewoners bijvoorbeeld privacy tegenover het openbare park. Tegelijkertijd refereren ze aan de enorme schuif- en garagedeuren van oude bedrijfsgebouwen. Op hogere verdiepingen zijn roosters toegepast die eveneens associaties oproepen met technische installaties in industriële gevels.

Spectaculair uitzicht

Achter die stoere buitenkant staat uiteindelijk het wonen centraal. Vooral richting het IJ zijn de appartementen nadrukkelijk naar buiten georiënteerd. Woonkamers zijn zoveel mogelijk aan de waterzijde geplaatst en sommige raampartijen zijn volgens Meijers tot zes meter breed. Grote balkons hangen als royale buitenkamers aan de gevel.Hoger in de gebouwen verandert die oplossing. De ligging direct aan het IJ is spectaculair, maar ook extreem blootgesteld aan weer en wind. Daarom zijn op hogere niveaus meer beschutte, inpandige buitenruimtes gemaakt. Zo wordt de architectuur steeds aangepast aan de specifieke omstandigheden van de plek.In de bovenste woningen wordt het panorama maximaal benut. Daar bevinden zich grote woningen met hoge puien en vides, waardoor niet alleen het water maar ook de enorme Hollandse lucht onderdeel wordt van het interieur. Het uitzicht is daarmee geen extraatje dat achteraf aan een luxe appartement wordt toegevoegd; het vormt een belangrijk uitgangspunt voor plattegrond en gevel.

Tegelijkertijd zocht Orange binnen naar een tegenwicht voor het ruwe exterieur. De entrees zijn veel warmer uitgevoerd, onder meer met eikenhout en donkere materialen. Wie van buiten naar binnen stapt, maakt daardoor bewust een overgang van een stoere industriële wereld naar een zachtere woonomgeving. Die aandacht begint al in de parkeergarage: ook daar moest de entree volgens Meijers direct het gevoel geven dat de bewoner thuiskomt.

Een nieuwe laag in Buiksloterham

Misschien is dat uiteindelijk de grootste kwaliteit van KAAP: het project probeert de geschiedenis van Buiksloterham niet letterlijk te reproduceren. Er zijn geen nostalgische fabrieken ontworpen. De drie architectenbureaus hebben ieder onderzocht welke kwaliteiten van een industrieel havengebied bruikbaar zijn voor een nieuwe woonomgeving.

Bij Powerhouse Company leidt dat tot gebouwen die zich formeel naar de straat en open naar het water gedragen. Bij Orange Architects zit de verwijzing vooral in contrast, pragmatiek, robuuste materialen en de suggestie dat een gebouw uit verschillende tijdlagen is samengesteld. NEXT vormt binnen de compositie juist een rustiger tussenstuk. Samen ontstaat daardoor geen uniform blok, maar een familie van verschillende gebouwen.

Daar omheen moet het Oeverpark de volgende stap zetten. De grens tussen een exclusieve woonplek en de openbare stad wordt daarmee bewust poreus gehouden. Wandelaars en fietsers kunnen straks tussen de gebouwen door richting het IJ bewegen. De voormalige industriële waterkant wordt zo geen afgesloten woonenclave, maar onderdeel van het publieke Amsterdam. Voor Meijers is juist die totale compositie reden om trots te zijn. Architectuur, stedenbouw en landschap grijpen hier in elkaar en benutten een plek die ten tijde van het eerste ontwerp nog lang niet zo vanzelfsprekend als woongebied gold als tegenwoordig.

Legenda

Opdrachtgever: Kop Grasweg CV (AMVEST/COD)
Architecten: Orange Architects (gebouwen Horn & York), Powerhouse Company (gebouwen Coast & Verde), NEXT architects (gebouw Blanc & paviljoen) en KAAP Typologie (Mixed-use, Woningbouw)
Omvang totaalproject: 13.400 m² bvo, 3.200 m² bvo ondergronds, 85 m² bvo horeca
Locatie: Kop Grasweg, Amsterdam Noord, NL
Stedenbouwkundig plan: Studioninedots
Landschapsontwerp: DELVA Landscape Architects|Urbanism, Gemeente Amsterdam Aannemer: UBA (Aannemer paviljoen KAAP), Groothuis Bouwgroep, Lagemaat BV Adviseurs: INBO, Nieman, van Rossum

Archieven

Partners

Toon alle partners