‘Architectuur lost de zorgcrisis niet op, maar kan wel ruimte maken voor verandering’

maandag 13 april | Nieuws

Interview Femke Feenstra

De zorg staat onder druk. Personeelstekorten lopen op, kosten rijzen de pan uit en de vraag naar zorg groeit sneller dan het aanbod. Architecten hebben geen pasklare oplossing voor die problemen. Maar, zo is de overtuiging van Femke Feenstra, directeur van Gortemaker Algra Feenstra, de gebouwde omgeving kan wél degelijk bijdragen aan gezondere cliënten, tevredener medewerkers en een zorgsysteem dat beter bestand is tegen de toekomst. In Rotterdam spreken we haar uitgebreid over de rol van architectuur in de zorg, over onderzoek als motor voor vernieuwing, over de weerbarstige werkelijkheid van aanbestedingen en over wat een politiebureau en een ziekenhuis onverwacht met elkaar gemeen hebben.

Jullie bemoeien je – op een goede manier – als architecten nadrukkelijk met de zorg inhoud. Waar komt die houding vandaan?
“Die betrokkenheid zit diep in het DNA van het bureau. We bestaan al ruim honderd jaar en zijn inmiddels zo’n zestig jaar actief in de zorg. Het eerste ziekenhuisproject dat hier werd gedaan was het Clara Ziekenhuis in Rotterdam, in de jaren zestig en sindsdien is zorg nooit meer een bijzaak geweest. Die lange geschiedenis betekent dat er hier enorm veel kennis is opgebouwd over hoe zorg zich ontwikkelt, hoe organisaties veranderen en wat dat vraagt van gebouwen.”

Maar het is niet alleen historisch bepaald, het lijkt ook iets persoonlijks.
“Dat klopt. Mijn eigen fascinatie komt voort uit hoe mensen ruimte beleven. Niet alleen met hun ogen, maar met al hun zintuigen. In de zorg is dat extra relevant, omdat mensen daar vaak kwetsbaar zijn. Iemand met psychische problemen ervaart ruimte anders dan iemand die lichamelijk herstelt van een operatie. Dat vraagt om nuance, om aandacht, om maatwerk. Die gelaagdheid heeft me altijd aangesproken.”

Wanneer werd onderzoek een structureel onder-deel van jullie werk?
“Dat moment viel samen met mijn aantreden als directeur. Ik vond het niet meer logisch om alleen maar projecten te doen zonder systematisch terug te kijken: wat werkt nu eigenlijk? Wat draagt aantoonbaar bij aan herstel, aan welzijn, aan werkplezier? Toen hebben we besloten om onderzoek echt te verankeren in het bureau. Inmiddels lopen er altijd meerdere onderzoeken tegelijk.”

‘Mijn eigen fascinatie komt voort uit hoe mensen de ruimte beleven’

Welke onderzoeken zijn dat concreet?
“Een belangrijk onderzoek richt zich op het reactiverend ziekenhuis. Dat gaat over het stimuleren van beweging en activiteit bij patiënten, zodat ze sneller herstellen en fitter naar huis gaan. We doen evaluatieonderzoek bij opgeleverde afdelingen, maar kijken ook vooruit: hoe zorg je ervoor dat reactiveren al in de programmafase wordt meegenomen? Niet als losse ambitie, maar als leidend principe. Daarnaast doen we onderzoek naar woonomgevingen voor ouderen, onder meer vanuit de Woonzorg Challenge. Het gaat dan om mensen die ouder worden, maar zo lang mogelijk zelfstandig willen blijven wonen. De klassieke verzorgingshuizen zijn verdwenen, maar de behoefte aan nabijheid, veiligheid en sociale verbinding is er nog steeds. Hoe ontwerp je een woonomgeving die dat faciliteert zonder betutteling? Een derde onderzoekslijn richt zich op de wisselwerking tussen zorg en technologie. Technologie is geen losstaand hulpmiddel, maar werkt altijd samen met gebouw en organisatie. Zeker in de dementiezorg of bij reactiverende ziekenhuizen is dat onlosmakelijk verbonden.”

In het Arnhemse Rijnstate staat reactiveren centraal.

Waarom is dat onderzoek zo belangrijk voor jullie praktijk?
“Omdat we niet op onderbuikgevoel willen ontwerpen. Onderzoek en projecten voeden elkaar continu, de wisselwerking maakt het interessant. Uit projecten halen we data en ervaringen, die gebruiken we in onderzoek, en de inzichten uit onderzoek nemen we weer mee terug de praktijk in.”

Het reactiverend ziekenhuis is inmiddels een bekend begrip. Dat was tien jaar geleden anders.
“Toen wij ermee begonnen, kwam het nauwelijks voor in programma’s van eisen. Nu zie je het bijna overal terug. Dat vind ik een mooie ontwikkeling, al doen wij dat natuurlijk niet alleen. Wat veranderd is, is dat afdelingen niet meer automatisch rondom het bed worden georganiseerd. Patiënten worden gestimuleerd om eruit te komen, om te bewegen, om elkaar te ontmoeten. Dat vraagt om andere plattegronden, andere zichtlijnen, andere plekken.”

En dat levert aantoonbaar iets op?
“Ja. In projecten zoals bij Rijnstate krijgen we terug dat patiënten zich prettiger voelen en personeel minder hoeft te ‘organiseren’. Als een omgeving uitnodigt tot beweging en ontmoeting, ontstaan die activiteiten vanzelf. Dat scheelt werkdruk en verhoogt de kwaliteit van zorg.”

Opdrachtgevers zien die meerwaarde niet altijd meteen, toch?
“Niet altijd meteen. Veel opdrachtgevers starten vanuit een strak programma van eisen. Wat wij dan doen, is dat programma even parkeren en eerst de vraag stellen: wat wil je nou écht bereiken? Wil je gezondere cliënten? Wil je personeel behouden? Wil je efficiënter werken? Pas daarna kijken we wat dat betekent voor de ruimte.”

Hoe krijg je die gesprekken op gang?
“Met workshops. We hebben per sector – ziekenhuizen, wonen met zorg, onderwijs – speciale workshop-boxen ontwikkeld. Met kaarten, beelden en woorden brengen we ambities letterlijk in beeld en leggen dat samen vast in een conceptbord. Dat bord blijft het hele proces meegaan. Zelfs in de technische ontwerpfase kijken we: doen we nog recht aan wat we toen hebben afgesproken?”

Je ziet daarin ook een verschuiving richting aandacht voor personeel.
“Zeker. De personeelstekorten zijn zo groot dat opdrachtgevers zich steeds meer realiseren: als we mensen willen vasthouden, moeten we beter voor ze zorgen. Dat zit in daglicht, in logische looplijnen, in buitenruimte, maar ook in heel praktische dingen. Een plek om je even terug te trekken, om rustig verslag te doen, om je fiets op te laden. Het zijn geen luxe-eisen, maar randvoorwaarden.”

Jullie zien zelfs de terugkeer van personeelswoningen.
“Ja, verpleegappartementen op of nabij het ziekenhuisterrein. Dat klinkt ouderwets, maar komt terug als secundaire arbeidsvoorwaarde. Het laat zien hoe urgent het probleem is.”

Zakelijk gezien is de zorg een lastige sector. Alles draait om aanbestedingen.
“Dat klopt. Vrijwel elk project gaat via een aanbesteding, openbaar of via een beperkte selectie. Elke aanbesteding is anders, met andere eisen, andere referentiekaders. Je investeert veel tijd en geld in een inschrijving, zonder garantie op succes. Soms gaan daar tonnen in zitten.”

‘Als een omgeving mensen helpt om zich beter te voelen, om beter te werken, om sneller te herstellen, dan heb je als architect echt iets bijgedragen.’

Wat maakt dat zo ingewikkeld?
“De eisen verschillen enorm. De ene keer mogen referenties drie jaar oud zijn, de andere keer vijf of tien. Soms wordt kwaliteit zwaar meegewogen, soms lijkt prijs doorslaggevend. En als je afvalt, is de feedback vaak beperkt. Dan vraag je je af: waar zat het verschil precies?”

Dat voelt niet altijd als de beste manier om kwaliteit te selecteren.
“Nee. Uiteindelijk gaat het vaak om relatief kleine verschillen in honorarium, terwijl architectuur maar een klein deel is van de totale bouwkosten. Dan zou je zeggen: kies de partij die het beste past bij je visie. Want een goed ontworpen gebouw betaalt zich terug in gebruik, flexibiliteit en tevredenheid. Het is belangrijk om goed samen te werken met opdrachtgevers en lange relaties te hebben door de jaren heen zodat je echt mee kan denken over de ontwikkeling van de zorg. Deze opdrachtgevers zijn voor ons van grote waarde.”

Femke Feenstra: “In een politiebureau draait het om veiligheid, maar ook om mensen op hun gemak stellen. Bezoekers komen daar vaak gespannen binnen.”

Jullie werken ook buiten de zorg, bijvoorbeeld aan politiebureaus. Wat leer je daarvan?
“De continue kennisuitwisseling tussen verschillende soorten projecten maakt het bijzonder interessant. Je leert van de ene discipline en kunt die inzichten weer toepassen in een andere. In een politiebureau draait het om veiligheid, maar ook om mensen op hun gemak stellen. Bezoekers komen daar vaak gespannen binnen. Dat principe – hoe zorg je dat iemand zich niet verloren of bedreigd voelt – passen we één op één toe in ziekenhuizen. Dat begint al in de parkeergarage: hoe loop je naar binnen, hoe word je begeleid, hoe voorkom je stress?”

Die kruisbestuiving werkt ook andersom?
“Absoluut. Van politiebureaus leren we veel over back-office-logistiek en veiligheid. Die kennis nemen we weer mee naar ziekenhuizen, waar logistiek minstens zo complex is. Zo versterken verschillende projecten elkaar continu.”

Zijn er zorggebieden waar je graag meer zou willen doen?
“De psychiatrie. Daar gebeurt relatief weinig, terwijl de behoefte groot is. Het zijn vaak verouderde gebouwen, terwijl deze doelgroep extra gevoelig is voor hun omgeving. Buitenruimte, rust, keuzevrijheid, afstand kunnen nemen, dat is daar cruciaal. Ik vind het jammer dat daar zo weinig in wordt geïnvesteerd.”

Tot slot: wat drijft je om hier zo intensief mee bezig te blijven?
“De overtuiging dat architectuur ertoe doet. Niet als oplossing voor alles, maar als stille kracht. Als een omgeving mensen helpt om zich beter te voelen, om beter te werken, om sneller te herstellen, dan heb je als architect echt iets bijgedragen. En zeker in de zorg is dat de moeite meer dan waard.”

TEKST Bas Hakker
FOTOGRAFIE Gortemaker Algra Feenstra

Pi 2026-1

Dit interview heeft u kunnen lezen in editie 1-2026. Gemist? Neem nu een abonnement en mis niks meer.

Copyright
© 2026 Business Content Media Den Haag. Niets uit dit artikel of deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch, op geluidsband of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever Business Content Media/Vakblad Interior Business Magazine.